Tijdens de oorlog vluchten duizenden joden vanuit Europa naar Marokko, op weg naar Amerika. Ze steken de Middellandse Zee over naar de Marokkaanse havensteden Casablanca en Tanger. Sommige vluchtelingen hebben van joodse hulporganisaties reispapieren gekregen, waarmee ze veilig door Marokko kunnen reizen.
Kampen
Joodse vluchtelingen zonder reispapieren worden in Marokko opgepakt en in kampen gestopt, samen met andere gevangenen. De kampen worden bewaakt door Franse militairen.
De gevangenen moeten twaalf uur per dag hard werken in de woestijn. Ze worden slecht behandeld. Ze krijgen weinig eten en vervuild drinkwater. Ze krijgen stokslagen en soms worden ze zelfs vastgebonden in een kuil of opgesloten in een kooi van prikkeldraad onder de gloeiende zon.
In Marokko zijn tijdens de oorlog ongeveer twintig kampen.
‘We arriveerden in een plaatsje in de woestijn. Een paar honderd joden kwamen terug uit de Sahara, waar ze werkten aan de beruchte Trans-Sahara Spoorlijn. Ze zagen er verschrikkelijk uit, uitgehongerd, ziek, met enkel wat vieze vodden als kleren. Ze vertelden ons vreselijke verhalen over hoe ze behandeld werden in het kamp. Maar ze hoefden dat eigenlijk niet te vertellen; als je ze zag wist je al wat ze hadden meegemaakt.’
dagboekaantekening van een Noorse zeeman